zoeken op nuttige
INFO

   Home > zoeken op nuttige > Oorwormen

Oorwormen

 Type: Insect

  Beschrijving
Oorwormen: o.a. Forficulidae
 
Ei
Eitjes zijn glanzend wit en ongeveer 1 tot 1,5 mm groot. Een groep van 50 tot 90 eitjes wordt afgelegd in een kleine holte 5 tot 20 cm diep in de grond.
 
Larve - nimf
Er zijn vier larvale stadia. Larven gelijken op de adulten, maar zijn aanvankelijk wit van kleur en verdonkeren en vergroten naarmate ze meer vervellen. De vier larvale stadia zijn te onderscheiden van elkaar door een aantal kenmerken. Zo verschilt het aantal antennesegmenten per stadium. Het uitzicht van de segmenten op het borststuk wordt met het volgende stadium telkens meer uitgesproken. Vanaf het vierde larvenstadium (L4) zijn ontwikkelde vleugellobben zichtbaar. Ook de vorm van de grijptangen wijzigt per stadium.
 
Adult
De adulten zijn 12 tot 15 mm lang en donker roodbruin van kleur. Ze beschikken over volledig ontwikkelde vleugels, die onder de dekschilden zitten, maar vliegen praktisch nooit. Mannetjes en vrouwtjes zijn te onderscheiden op basis van de vorm van de grijptangen. De tangen van de mannetjes zijn forser, dikker, meer tangvormig en gekromd, en langer (4 tot 8 mm) dan die van de wijfjes die slechts 3 mm zijn. Eén vrouwtje kan 20 tot 90 eitjes leggen. Het wijfje van de oorworm doet aan broedzorg. Ze verzorgt en bewaakt haar eitjes en voedt de jongste nimfen.

  Cyclus
Eitjes worden afgelegd van februari tot april/mei. Ontwikkelingsduur ei: 20 tot 70 dagen. Nimfen ontluiken uit de eitjes vanaf mei. Ontwikkelingsduur nimfen : 50 tot 80 dagen. Adulten hebben een levensduur van 8 tot 18 maanden.

Oorwormen leven gedurende de vijf maanden bovengronds. Ze worden vrij laat op het seizoen actief (vanaf mei). Na mei bevinden er zich nog weinig larven van deze nuttige predator bovengronds. Daar ze in de grond overwinteren, zullen ze niet overleven op natte percelen.

  Actieterrein
Oorwormen zijn alleseters. Ze overleven op plantaardig voedsel, maar hebben dierlijk voedsel (plaaginsecten) nodig om goed te ontwikkelen. Gedurende de vijf maanden dat ze zich bovengronds bevinden, doen larven en volwassenen zich te goed aan diverse plaaginsecten. Hun menu bestaat uit bladluizen, wol-, dop- en schildluizen, bladvlooien (ei en larve), kleine rupsen, insecteneieren, bladrollers, fruitmot, algen, mos en schimmeldraden.

Als er een tekort aan prooien optreedt, kunnen de oorwormen zich ook voeden op gecultiveerde gewassen, waarbij ze occasioneel schade veroorzaken. Ze schrapen dan de bovenste laag van jonge bladeren en veroorzaken secundaire schade aan reeds beschadigde vruchten.

Daar oorwormen vrij laat op het seizoen actief worden (vanaf mei), zijn ze vooral nuttig om zomerplagen te onderdrukken. Om de kommaschildluis – die o.a. op Buxus voorkomt– bij migratie van de larven aan te pakken, is het te vroeg. In mei bevinden er zich nog weinig larven van deze nuttige predator bovengronds, maar de oorworm is in staat door hun schildje heen te vreten, en de schildluis samen met de eieren die zich eronder bevinden, op te eten.

In fruitteeltbedrijven gaat de aanwezigheid van oorwormen op het bedrijf duidelijk samen met een lagere plaagdruk van wollige bloedluis en perenbladvlo. Derde stadium nimfen kunnen een tiental bladvlo-eitjes per dag eten. Adulten daarentegen een dertigtal. Laatste stadium nimfen zijn de beste predatoren.

Zij zijn vooral ’s nachts en bij schemerlicht op zoek naar voedsel. Bij het vinden van een goede schuilplaats verblijven deze nachtdieren ook overdag in de bomen. Het is belangrijk om de oorwormen op duurzame wijze in de aanplant te houden. Er zijn in boomkwekerijen natuurlijke schuilplaatsen aanwezig, zoals loszittende schors en holle bamboestokken. Het kunstmatig creëren van schuilplaatsen kan de aanwezigheid van oorwormen vergroten. Schuilplaatsen zoals strozakjes of opgerold karton zijn zeer aantrekkelijk voor oorwormen, maar moeten jaarlijks of tweejaarlijks ververst worden. Gemengde hagen langs percelen zijn ook ideale schuilplaatsen. De oorworm is vooral in vollegrondsteelten terug te vinden; in containerteelt minder omwille van schuilplaatsgebrek, maar deze kunnen dus kunstmatig aangemaakt worden.

Vijanden: Parasiterende vlieg: Bigonicheta spinipennis; sluipwesp: Hacodineura pallipes, Digonochaeta setipennis, Digonochaeta spinipennis, Zenilla nemea; zoogdieren, bacteriën, nematoden, vogels, insectenparasiterende schimmels.


Over het Waarnemings- & Waarschuwingssysteem | Over deze app en gebruiksvoorwaarden
© Viaverda | Privacyverklaring en Cookiebeleid - Alle rechten voorbehouden