zoeken op nuttige
INFO

   Home > zoeken op nuttige > Roofmijten

Roofmijten

 Type: Mijt

  Beschrijving
Roofmijten zijn kleine, maar efficiënte, natuurlijke vijanden van belangrijke geleedpotige plantenbeschadigers, die vertoeven in de bovenste bodemlagen en op plantaardig materiaal.

In deze fiche zullen enkel roofmijten van de familie Phytoseiidae toegelicht worden. Deze familie bestaat uit spontaan voorkomende roofmijten in de boomkwekerij (bv. Euseius finlandicus), waarvan sommigen zoals Amblyseius andersoni en Neoseiulus californicus ook gecommercialiseerd worden. Determinatie van diverse Phytoseiidae species is gebaseerd op onder meer de haarinplanting en kan enkel gebeuren met behulp van een lichtmicroscoop. Het is voor het ongetrainde oog dus niet evident om verschillende roofmijtensoorten te onderscheiden.
 
Ei
De eitjes van roofmijten zijn ovaalvormig en ongeveer tweemaal zo groot als deze van de bonenspintmijt. Aanvankelijk zijn ze transparant gekleurd, maar bij verdere ontwikkeling verdonkeren ze en krijgen ze een gelige tot oranje tint. Vrouwelijke roofmijten leggen hun eitjes doorgaans af aan de onderzijde van het blad in de nabijheid van nerven en voedselbronnen, op spinseldraden van spintmijten en op bladstructuren.
 
Larve
Phytoseiidae kennen net als spintmijten één larvaal en twee nimfale stadia waarin men achtereenvolgens over proto- en deutonimfen spreekt. De larven hebben een ovaal tot druppelvormig lichaam en in tegenstelling tot de adulten en nimfen slechts drie paar poten. Ze kunnen, afhankelijk van het species waartoe ze behoren, opgedeeld worden in niet-voedende larven, facultatief voedende larven en obligaat voedende larven. Mijten in dit stadium zullen zich respectievelijk niet voeden, zich voeden indien geschikte prooien aanwezig zijn en zich altijd moeten voeden om het eerste nimfaal stadium te kunnen bereiken. Larven die zich niet voeden, zijn meestal ook inactief.
 
Nimf
De nimfen hebben vier paar poten en lijken, afgezien van hun kleinere grootte, sterk op de adulten. Vóór voedselconsumptie zijn de larven en nimfen bleek gekleurd. Later krijgen ze een kleur die naargelang de roofmijtensoort en het dieet varieert van beige naar oranje tot donkerbruin.
 
Adult
Volwassen Phytoseiidae hebben acht relatief lange poten, die hen toelaten zich snel voort te bewegen. Roofmijten zijn tevens mobieler dan spintmijten. Ze hebben een hard, druppelvormig en behaard lichaam dat net als bij de onvolwassen stadia varieert van wit tot bruin. Ogen ontbreken meestal. De voorpoten doen dienst als tasters. Voedsel wordt opgenomen met behulp van schaarvormige, prikkend zuigende monddelen. De grootte van bladroofmijten is soortafhankelijk en varieert van 0,3 tot 0,6 mm, waarbij de wijfjes ietwat groter zijn dan de mannetjes. In het algemeen hebben roofmijten ook een grotere omvang dan spintmijten.

  Cyclus
Roofmijten kennen vijf ontwikkelingsstadia. Na het eistadium doorlopen ze een larvaal en twee nimfale stadia, waarna ze adult worden. Volwassen wijfjes dienen bevrucht te worden om te kunnen starten met de eileg. Bevruchte wijfjes zullen vanaf gemiddeld twee dagen na het bereiken van het adulte stadium tot vijf eitjes per dag produceren en dit gedurende een periode van 20 tot 30 dagen. Na de eilegperiode zullen de vrouwelijke individuen doorgaans nog een tijdje leven, al daalt hun voedselopname wel aanzienlijk. Bevruchte wijfjes zullen dan vanaf oktober hun schuilplaatsen, die onder meer gelegen zijn onder de schors, dood gebladerte en in knopschubben, opzoeken om te overwinteren. Per jaar kunnen op deze manier 4 tot 6 generaties bladroofmijten voorkomen.

Alle ontwikkelings- en voortplantingsparameters zijn soortspecifiek, maar worden daarnaast ook beïnvloed door de temperatuur, de luchtvochtigheid, het opgenomen dieet en de fotoperiode. De meeste roofmijten kunnen zich ontwikkelen tussen temperaturen van 10 en 35°C, waarbij de optimale temperatuur zich vaak rond 25°C situeert. Bij een temperatuur van 25°C en een relatieve vochtigheid van om en bij 75% worden deze stadia vervolledigd in ongeveer één week tijd. Sommige Phytoseiulus soorten hebben een ontwikkelingsduur van amper vier dagen. Hierdoor kennen ze een snellere populatieopbouw dan hun prooien, wat hen in staat stelt de groei ervan onder controle te houden. Door hun kleine omvang zijn roofmijten gevoelig voor uitdroging. Dit trachten ze te compenseren door voedselopname of door vochtabsorptie uit de lucht. Langdurige droogte is bijgevolg nadelig voor de roofmijten en in het bijzonder voor hun eitjes. Bepaalde roofmijtenspecies en -stammen zullen ten gevolge van een lage temperatuur en een korte daglengte in diapauze, een rusttoestand, treden.

  Actieterrein
Phytoseiidae zijn belangrijke rovers van spint, weekhuidmijten, gal- en roestmijten en van onvolwassen stadia van wittevlieg en trips.

Ze kunnen opgedeeld worden in roofmijtensoorten die gespecialiseerde predators zijn en zich dus beperken tot het verorberen van één prooitype (bv. P. persimilis) en soorten die op een grote variatie aan voedselbronnen kunnen overleven (bv. A. andersoni). Laatstgenoemden kunnen hun dieet bovendien ook aanvullen met nectar, stuifmeel, plantenexudaten, water, honingdauw, schimmelsporen en nematoden.

In afwezigheid van geschikte voedselbronnen kunnen roofmijten geneigd zijn te prederen op soortgenoten of andere species van de Phytoseiidae. Sommige bladroofmijten kunnen een tiental dagen overleven zonder voedsel.

Voorkomen: De voorkeur van roofmijten voor bepaalde gewassen wordt bepaald door een aantal plantkarakteristieken. Zo worden planten met bladeren zonder of met heel veel beharing en een dikke waslaag gemeden. Ook de mate waarin aangevallen gewassoorten SOS-geuren (kaïromonen) uitzenden ten aanzien van specifieke natuurlijke vijanden, kan een invloed hebben. Teelten met een aaneengesloten bladerdek worden vaak verkozen omdat ze de verspreiding van de roofmijten stimuleren. Phytoseiidae werden reeds succesvol uitgezet tegen spintmijten op diverse sierheesters en bomen. In een geïntegreerd gewasbeschermingsplan zal de keuze van een selectief gewasbeschermingsmiddel het voorkomen van de roofmijten minimaal benadelen.

Vijanden: Roofmijten kunnen ten prooi vallen aan andere natuurlijke vijanden van spintmijten zoals roofwantsensoorten, de spintroofgalmug Therodiplosis persicae en het spintetende lieveheersbeestje Stethorus punctillum. Daarnaast kunnen eveneens ziekten optreden. Zo is er bij de roofmijt P. persimilis een bacteriële ziekte gekend die ervoor zorgt dat de mijten niet langer hun prooien kunnen lokaliseren.


Over het Waarnemings- & Waarschuwingssysteem | Over deze app en gebruiksvoorwaarden
© Viaverda | Privacyverklaring en Cookiebeleid - Alle rechten voorbehouden