 |
Sluipwespen: o.a. Braconidae
Er bestaan ontzettend veel soorten sluipwespen die als natuurlijke vijand van plaaginsecten voorkomen. Naast natuurlijk voorkomende sluipwespen zijn er ook heel wat die gecommercialiseerd worden, waaronder Aphidius spp., Dacnusa sibirica, Aphelinus spp., Encarsia formosa, Trichogramma spp., Diglyphus isaea,... In deze informatie worden de sluipwespen in het algemeen besproken. (Orde vliesvleugeligen (Hymenoptera); Superfamilies Ichneumonidae en Chalcidoidea). |
| |
| Ei |
| De vrouwtjes deponeren hun eitjes met behulp van een legboor in, op of nabij een ander insect; dit insect wordt de gastheer genoemd. De eitjes zijn aanvankelijk zeer klein, omdat ze de legboor moeten passeren. Eenmaal in de gastheer kunnen ze enorm zwellen door het vocht dat ze opnemen. |
| |
| Larve |
| Uit het eitje komt een jonge larve. De larve heeft geen poten en is kleurloos, glasachtig tot wit. Er zijn drie of vier larvale stadia, afhankelijk van de soort sluipwesp. De larve kan zich ofwel ontwikkelen in het lichaam van de gastheer (endoparasitoïde sluipwesp) ofwel op de gastheer (ectoparasitoïde sluipwesp). |
| |
| Pop |
| Het laatste larvenstadium spint een cocon in het overgebleven lichaam van de gastheer of op de gastheer en gaat dan verpoppen. |
| |
| Adult |
De volwassen sluipwesp komt tevoorschijn na het maken van een gaatje in de gastheer.
De adulten zijn vrijlevende, zwarte of bruine wespjes die gekenmerkt zijn door een lang, slank lichaam met een opvallende insnoering (wespentaille). Hun grootte is afhankelijk van de soort. Ze hebben twee paar vliezige vleugels en bezitten antennen. De antennen zijn belangrijke tastorganen die tevens dragers zijn van de reukzin en gebruikt worden om hun gastheer te vinden.
De verhouding vrouwtjes - mannetjes is meestal 2:1. De wijfjes beschikken over een legboor waarmee eitjes worden gelegd, maar ze kunnen er hun gastheer ook mee verlammen na injectie van gif. |
|
 |
De paring vindt doorgaans al plaats op de dag dat de volwassen sluipwesp uit de gastheer komt. Naast de geslachtelijke voortplanting komt ook ongeslachtelijke voortplanting voor.
Na de paring gaat een legrijp vrouwtje op zoek naar een geschikte gastheer; hierbij speelt de reukzin (antennen) een heel belangrijke rol. Meestal leggen de sluipwespen hun eitjes in de eieren, larven en popstadia van hun gastheer, soms ook in het volwassen insect. De band met een bepaald type gastheer is vaak heel specifiek. Bovendien is niet elk stadium van de gastheer even geschikt voor parasitering.
Indien het ei in of op een te jong stadium wordt gelegd, is de kans groot dat de sluipwesp onvoldoende voedsel uit de gastheer kan halen om tot ontwikkeling te komen. Dit is ook het geval wanneer het eitje in of op een te oude gastheer wordt gelegd. Er kunnen één ei of meerdere eitjes per gastheer gelegd worden. Indien er één nakomeling in de gastheer ontwikkelt, spreekt men van een parasitering door solitaire parasitoïden. Als er meerdere nakomelingen in de gastheer kunnen groeien, spreekt men van gregaire parasitoïden. De plaats waar de legboor gestoken wordt, varieert sterk. Soms gebeurt dit in de kop, soms in het borststuk en soms in het achterlijf. Er is bovendien een verschil in de manier waarop het wijfje haar eitje legt. Sommige wijfjes krommen hun achterlijf naar voren onder het borststuk en tussen hun poten door. Anderen draaien zich een halve slag om, zodat ze met de punt van hun achterlijf naar de gastheer gekeerd staan.
Het totaal aantal eitjes, gelegd door één wijfje, hangt af van de levensduur van het wijfje; dit kan individueel sterk variëren. De levensduur en de vruchtbaarheid van het wijfje wordt o.a. bepaald door de aanwezigheid van voedsel. Volwassen sluipwespen hebben suikers nodig om te overleven; omwille hiervan voeden zij zich met nectar en honingdauw op bloemen en planten. De gemiddelde levensduur van een sluipwesp is vrij kort: de wijfjes blijven meestal slechts een aantal weken in leven, de mannetjes zelfs nog minder lang. Het verhogen van de biodiversiteit door de aanleg van bloeiende vegetaties langs en tussen de aanplantingen kan daarom nuttig zijn, zeker in boomkwekerijgewassen. Voor de ontwikkeling van de eitjes hebben de sluipwespen bovendien ook nog eiwitten nodig; deze worden meestal uit het lichaamsvocht van hun gastheer gehaald. Ze prikken hiervoor de gastheer aan met hun legboor. Vervolgens wordt aan de gemaakte wonde lichaamsvocht opgelikt met hun kauwend-likkende monddelen. De gastheer sterft hierdoor vaak af. Afhankelijk van welke sluipwesp parasiteert, gaat de gastheer na eileg nog enige tijd actief blijven en langzaam afsterven (koidiobionten). De gastheer gaat zich verder ontwikkelen, voeden en is in bepaalde gevallen nog in staat om nakomelingen voort te brengen.
Andere sluipwespen gaan, door het injecteren van een verlammende stof in de gastheer, ervoor zorgen dat de gastheer na eileg niet meer eet en niet verder groeit (idiobionten).
De eitjes van de sluipwesp ontluiken na enkele dagen. Het eerste larvenstadium zal zich beginnen voeden met de lichaamsinhoud van de gastheer. De ontwikkelende parasitoïde larve is zichtbaar in of aan de gastheer. Een geparasiteerde bladluis bv. is goed herkenbaar: ze zwelt op, krijgt een leerachtig uitzicht en verkleurt langzaam. Men noemt dit een mummie. De sluipwesplarve zelf doorloopt drie of vier larvale stadia, nadien vindt de verpopping plaats. Bepaalde sluipwespen verpoppen onder de gastheer en gaan hiervoor een cocon tussen de poten van de gastheermummie maken waardoor deze op een voetstuk komt te staan (Praon). Bij sluipwespen die in de gastheer leven, zal de adult een rond gaatje knagen dat zichtbaar is in de overgebleven lichaamsrestanten van de gastheer.
De sluipwespen overwinteren binnen hun gastheer door een soort rusttoestand (diapauze) in te lassen, die hen in staat stelt vriestemperaturen te overleven. Na de winter stopt de diapauze en herneemt de ontwikkeling. De ontwikkelingsduur en het aantal generaties van een sluipwesp hangt af van diverse factoren. Sommige sluipwespen kennen één generatie per jaar, anderen meerdere.
De ontwikkelingsduur van ei, larve en pop zijn achtereenvolgens ± 3 dagen, 13 dagen en ± 4 dagen. De levensduur van het adult is 10 tot 30 dagen. |
|
 |
Sluipwespen, ook nog parasitaire wespen of parasitoïden genoemd, zijn natuurlijke vijanden van verschillende plantenbeschadigers. Sluipwespen zijn natuurlijke vijand van plaaginsecten (bladluizen, witte vliegen, rupsen, mineervliegen, wolluizen,…). Naast deze soorten zijn er echter ook sluipwespen die nuttige insecten zoals lieveheersbeestjes, zweefvliegen,… kunnen aanvallen.
De sluipwespen gaan op een andere manier te werk dan de lieveheersbeestjes, de gaasvliegen en de zweefvliegen, die in de groep van de rovers of predatoren worden ondergebracht. Een sluipwesp brengt zijn onvolwassen stadia (ei, larve, pop) door in of op de gastheer, die als gevolg hiervan uiteindelijk gaat sterven.
Bepaalde sluipwespen zijn kieskeurig in de keuze van hun gastheer (gastheerspecifiek) en zijn aangewezen op één soort gastheer (monofagie). Andere sluipwespen kunnen verschillende soorten gastheren parasiteren (polyfagie). Het assortiment gastheren is groot: bladluizen, rupsen, poppen van kevers, wespen, bijen, dop-, schild- en wolluizen, witte vlieg, galmuggen,…
Door bladluizen aangetaste planten scheiden geurstoffen af die de sluipwesp kan waarnemen met haar antennen. Deze bezitten namelijk tast- en reukzin.
Een sluipwesp gaat zich als larve steeds voeden met een organisme dat gedood wordt en dat voldoende voedsel levert voor de volledige ontwikkeling van de sluipwesp. De groep van de sluipwespen heeft tegenover de predatoren (rovers) een smal spectrum aan gastheren en bovendien hebben ze een tragere werking. Het is echter een heel grote groep van insecten, wat hen naar bestrijding toe uitermate interessant maakt.
Verschillende sluipwespen zijn commercieel beschikbaar; in kasteelten en beschutte teelten kent het inzetten van deze sluipwespen tegen bepaalde parasieten veel succes. Bovendien komen ook veel sluipwespen spontaan voor in de natuur en daar kan in open lucht gebruik van gemaakt worden. De efficiëntie van deze spontaan voorkomende sluipwespen kan verhoogd worden door het aanbieden van voldoende voedsel en overwinteringsmogelijkheden. Samen met andere natuurlijke vijanden kunnen ze een plaag onder controle houden. Zeker bij gewassen waar de schadedrempel hoger ligt, is het niet altijd nodig direct een bespuiting uit te voeren. Als het toch nodig is om in te grijpen, dient gekozen te worden voor selectieve middelen, zodat de sluipwespen niet worden gedood.
Vijanden: Sluipwesplarven of poppen in de gastheer kunnen op hun beurt geparasiteerd worden door andere sluipwespen. De larve van de laatste soort voedt zich met de larve van een parasiterende sluipwesp. Dit verschijnsel noemt men hyperparasitisme. |
|
 |
 |
| Natuurlijke vijand van |
 |
| Anjerbladroller, Beukenbladluis, Coniferenschildluis, Dopluis, Gestippelde houtvlinder, Kommaschildluis, Lindebladwesp, Ongelijke houtkever, Pulvinale dopluis, Sparrennaaldluis, Witvlakvlinder, Wollige bloedluis, Zwarte kersenluis, Lindebladluis, Gleditsiabladgalmug, Beukentopgalmug, Jeneverbesmineermot, Kleine wintervlinder, Berkenbladwesp, Perenprachtkever, Wilgenhoutvlinder, Zwarte bonenluis, Stippelmot, Buxusbladvlo, Hulstvlieg, Aziatische essenprachtkever, Pseudaulacaspis pentagon |
|
|
 |
|