 |
|
| |
| Ei |
| De eitjes worden gelegd op de bladonderzijde. Meestal zijn meerdere eitjes terug te vinden per blad, maar ze worden niet in groep gelegd. De eitjes hebben een ovale vorm en zijn geel tot oranje van kleur. |
| |
| Larve |
| De pas ontloken larven zijn heldergeel maar verkleuren snel van oranjebruin naar donker- tot paarsbruin. Er zijn vijf verschillende larvenstadia. De antennes, poten, vleugelstompjes en het uiteinde van het achterlijf zijn donkerbruin van kleur. De larven hebben een typische afgeplatte vorm. Op hun achterlijf is vaak wasafscheiding zichtbaar. De larven zijn weinig beweeglijk, ze zitten meestal in groep in groeipunten of aan de bladonderzijde, verscholen tussen was en honingdauw. |
| |
| Adult |
| De adulten zijn 2 tot 2,5 mm groot en hebben de typische bouw van een bladvlo. Ze hebben relatief grote vliezige vleugels en stevige achterpoten die aangepast zijn aan het springen. Ze vouwen hun vleugels dakpansgewijs boven het lichaam. Het lichaam is strogeel met bruingekleurde overlangse banden op de kop en het borststuk. De bruingekleurde voorvleugels hebben opvallende donkerbruine tot zwarte tekeningen. De antennes zijn geel gekleurd, de twee laatste segmenten zijn echter volledig zwart. Wasafscheiding komt bij de adulten niet meer voor; zij zitten verspreid over gans het blad, zowel op de boven- als op de onderzijde. |
|
 |
| De schade wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de larven die het gewas sterk bevuilen met slierten witte was. De bladeren worden vrij snel bedekt met grote hoeveelheden honingdauw, waarin zich zwarte roetdauwschimmel ontwikkelt die verantwoordelijk is voor een afname van de fotosynthese. Dit leidt tot sterk verminderde groeikracht en zelfs bladval. Bovenvermelde symptomen treden op van zodra larven aanwezig zijn. Zowel op de bladeren als op de knoppen zijn larven van deze bladvlo waar te nemen. Schade kan planten onverkoopbaar maken. Naast de bevuiling met witte was kunnen de larven (en adulten) ook plantenweefsel aanprikken en leegzuigen, misvormingen zijn eerder beperkt. Verschillende bladvlooien zijn gekend als vectoren van virussen; de Elaeagnusbladvlo zou in dit opzicht ook als potentiële vector kunnen fungeren. |
|
 |
| Cacopsylla fulguralis is van oorsprong Aziatisch (China, Korea, Taiwan, Filippijnen). Omwille van de recente vaststelling in ons land (2002) is over de biologie van Cacopsylla fulguralis in België haast niets gekend. De adulten zijn actief, en kunnen vliegen, waardoor ze een groot verspreidingspotentieel hebben. De duur van de cyclus is sterk klimaatsafhankelijk. De voortplanting gebeurt geslachtelijk. Door de verschillende larvenstadia kan de ontwikkeling van ei tot adult een tijdje duren. De bladvlo kent meerdere generaties per jaar. Onder bescherming kunnen volwassenen jaarrond voorkomen en overlappen de verschillende generaties elkaar. Adulten kunnen onder bescherming overwinteren; door de minder strenge winters is dit ook in buitenomstandigheden mogelijk. Op planten in de koude serre komen de larven al vrij vroeg tevoorschijn. |
|
 |
| Bestrijden van de Elaeagnusbladvlo gebeurt best bij ontluiken van het winterei zodat de jonge larven niet de kans krijgen om was af te scheiden. Deze was is waterafstotend en kan de chemische bestrijding negatief beïnvloeden. Indien bestrijding van de larven mislukt of niet wordt uitgevoerd, kan een bestrijding worden uitgevoerd tijdens het adulte stadium. |
|
 |
 |
| Waardplanten |
| Elaeagnus |
 |
| Deze bladvlo komt nu reeds algemeen voor op Elaeagnus x ebbingei. Andere soorten zijn volgens literatuur minder gevoelig zoals E. cuprea, E. glabra, E. macrophylla, E. oldhamii, E. pungens of niet gevoelig zoals E. angustifolia en E. multiflora. |
|
|
 |
 |
 |
| Nuttigen |
 |
| Lieveheersbeestjes, Roofwantsen |
 |
| De in Japan voorkomende sluipwesp Trechnites viridiscutellatus zou potentiële mogelijkheden bieden voor de biologische bestrijding van de Elaeagnusbladvlo. |
|
|
 |
|